Samenwerkingsprotocol met de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in het kader van effectief en doelmatig toezicht

Artikel 5.1 van de Whc bepaalt dat de Minister van Economische zaken werkafspraken kan maken met een aantal instanties die betrokken zijn bij de handhaving van het consumentenrecht. Deze afspraken moeten worden vastgelegd in samenwerkingsprotocollen.

In onderhavig protocol zijn de samenwerkingsafspraken neergelegd tussen de Consumentenautoriteit en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). De NMa is belast met de uitvoering en handhaving van algemene mededingingsregels, neergelegd in de Mededingingswet en de artikelen 81 en 82 van het EG-verdrag, en van overige aan haar opgedragen taken. De Directie Regulering Energie en Vervoer (hierna: DREV) is onderdeel van de NMa en is onder meer belast met de uitvoering en het toezicht op
de naleving van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. De Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet bevatten onder meer bepalingen inzake informatievoorziening en (leverings)voorwaarden waaraan energieleveranciers in hun relatie tot ‘afnemers’ (waaronder consumenten) moeten voldoen.

De afspraken tussen NMa en Consumentenautoriteit zien op de volgende manieren van samenwerking:

  1. tussen de Consumentenautoriteit en de NMa in het kader van niet-grensoverschrijdende
    situaties;
  2. tussen de Consumentenautoriteit als bevoegde autoriteit onder verordening 2006/2004 en de
    NMa als andere overheidsinstantie bij de uitvoering van de hoofdstukken 2 en 3 van verordening
    2006/2004 inzake wederzijdse bijstand bij grensoverschrijdende inbreuken;
  3. tussen de Consumentenautoriteit en de NMa in het kader van de verplichtingen van de artikelen
    16, 17 en 21 van verordening 2006/2004, met de coördinatie waarvan de Consumentenautoriteit
    voor Nederland is belast.

Het protocol bestaat uit vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk 1 betreft enkele relevante definities en benoemt de reikwijdte van het protocol;
  • Hoofdstuk 2 heeft betrekking op zowel grensoverschrijdende als niet-grensoverschrijdende situaties en bevat onder meer bepalingen over samenloop, taakverdeling en interpretatie van begrippen;
  • Hoofdstuk 3 heeft specifiek betrekking op de uitvoering van de verplichtingen van verordening 2006/2004 in het kader van grensoverschrijdende situaties;
  • Hoofdstuk 4 bevat enkele bepalingen inzake overleg, informatie-uitwisseling, en dergelijke.